EASY

DANS - Data Archiving and Networked Services

Search datasets

EASY offers sustainable archiving of research data and access to thousands of datasets.

Close Search help

Vlissingen Dokkershaven zuidzijde deelgebied A B D E en F

Cite as:

ADC ArcheoProjecten; Claeys, J.; Jaspers, N.L.; Ostkamp, S.; (): Vlissingen Dokkershaven zuidzijde deelgebied A B D E en F. DANS. https://doi.org/10.17026/dans-xpy-76pu

2010-09-16 ADC ArcheoProjecten; Claeys, J.; Jaspers, N.L.; Ostkamp, S.; 10.17026/dans-xpy-76pu

In de winter van 2007-2008 werd door ADC ArcheoProjecten op het terrein grootschalig archeologisch onderzoek uitgevoerd op de zuidzijde van de Dokkershaven. Dit onderzoek was voorafgegaan door diverse bureauonderzoeken uitgevoerd door RAAP en de Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland en een archeologische begeleiding uitgevoerd door RAAP en ADC ArcheoProjecten. Op basis van de vooronderzoeken en de toekomstige bouwplannen werden vijf deelgebieden afgebakend (A, B, D, E en F) die vlakdekkend opgegraven zouden worden. In samenwerking met de Walcherse Archeologische Dienst werd er tijdens het onderzoek gericht naar het publiek toe gewerkt, onder meer in de vorm van wekelijkse rondleidingen en klassenbezoeken. Zelden kunnen binnen stadskerngebieden dergelijke grootschalige projecten uitgevoerd worden. Bovendien betreft het een heel specifiek en spectaculair deel van de geschiedenis van de stad: de opgang van een middeleeuws vissersdorp naar een ambitieuze wereldstad en haar daaropvolgende neergang.

De herinrichting van het Scheldekwartier betekent een mijlpaal in de geschiedenis van Vlissingen, aangezien de stad hier een belangrijk deel van haar territorium terugwint op de industrie. Bovendien blijft de link met de haven behouden door het opnieuw vrijleggen van het unieke dokje van Perry, het oudste droogdok van Nederland.

Het postmiddeleeuwse tijdperk vertegenwoordigt de bijzonder woelige en boeiende periode waarin Vlissingen haar huidige identiteit heeft verkregen. Een geschiedenis die in 1574 aanvangt met de afbraak van de Spaanse dwangburcht en exact vierhonderd jaar later eindigt met het dempen van het Droogdokje van Perry. De tweedeling tussen leven en dood komt volop terug in de rapportage, maar het complete verhaal wordt verteld doordat beide aspecten onlosmakelijk met elkaar zijn verweven. De haven en aangrenzende wijk weerspiegelen de vele lagen van de postmiddeleeuwse geschiedenis van de stad. Alle sporen, structuren en vondsten verwijzen naar deze historie. Dit verhaal wordt rijk geïllustreerd door het vondstmateriaal uit de vele ongeschonden afvalcontexten. Een tweede aspect die het project Dokkershaven zo veelbetekenend maakt, zijn de goede conserveringsomstandigheden van zowel de structuren, het vondstmateriaal als de organische monsters. Niet alleen omdat de vondstcontexten, meestal afvallagen in beerbakken en tonputten, bijna per definitie een schatkamer aan informatie kunnen opleveren. Maar voornamelijk omdat dit terrein door de plaatfunderingen van de 20e-eeuwse havenloodsen decennia lang beschermd is gebleven voor schatgravers en andere verstoringen. De uitdaging om deze contexten ook tijdens de opgravingen te vrijwaren – de nachtelijke ‘concurrentie’ lag immers steeds op de loer – hebben we ten volle moeten aangrijpen. Ten derde vormt het huidige onderzoek een interdisciplinair geheel. De mogelijkheid om de opgegraven skeletten gedetailleerd te bestuderen tijdens de uitwerking van het project vormde daarbij een belangrijk aspect. Behalve het onderzoek naar de Nieuwe tijd begraafplaatsen van de Dokkershaven werd ook de uitwerking van de in 2005 opgegraven skeletten van de Oude Markt meegenomen bij dit onderzoek. Op die manier kon een beeld van ruim zes eeuwen Vlissingen worden gereconstrueerd, van de 14e tot en met de 19e eeuw.

Tijdens het project Dokkershaven is er bijna een hectare stadskern van de stad Vlissingen onder de loep genomen. Binnen dit onderzoeksgebied vielen restanten van drie kerken (de Engelse kerk, de Waalse kerk en de Gereformeerde kerk), begraafplaatsen en tientallen percelen met woningen en pakhuizen. In het eerste onderzoeksvlak werd aandacht besteed aan het documenteren van de bouwhistorische elementen. Vervolgens werd een tweede vlak aangelegd onder deze structuren om de afvalcontexten (beerbakken, tonputten en vondstlagen) van deze panden in kaart te brengen. De goede bewaaromstandigheden en gaafheid van deze contexten maakte het mogelijk om op ruime schaal onderzoek te doen naar zeer uiteenlopende aspecten van de bewoners van de wijk. Een ander belangrijk aspect van het onderzoek was gericht op de fysische antropologie. Binnen het onderzoeksgebied werden representatieve steekproeven van de populaties verzameld van de diverse begraafplaatsen (graftombes binnen de Engelse, begravingen binnen de Waalse kerk en op het kerkhof rondom de Engelse kerk). De onderzoekshypothese was dat de diversiteit van deze populaties zich ook zou vertalen in het skeletmateriaal. Ter aanvulling op deze studie werden ook de skeletten van de opgraving van de oudere begraafplaats op de Oude Markt meegenomen bij de uitwerking. De individuen begraven binnen de beide kerken andere kenmerken dan de overledenen die op het kerkhof lagen: de skeletten binnen de kerken waren gemiddeld groter en vertoonden sporen van welvaartsziektes. Op het kerkhof, waarvan uit archieven bekend is dat er zich ook massagraven bevonden, werden de minderbedeelden bijgezet: deze waren kleiner en hadden veel vaker aan deficiëntieziektes geleden. Ook op basis van het vondstmateriaal kan de 17e eeuw duidelijk worden onderscheiden van de voorafgaande en de latere periodes. Terwijl we op het eind van de 16e eeuw reeds een groeiend aandeel herkennen van geïmporteerde producten, bereikt dit fenomeen een hoogtepunt in de eerste helft van de 17e eeuw. Niet alleen het vondstmateriaal vertoont een meer divers karakter, ook het voedselverbruik weerspiegelt de internationale contacten van de stad. Maar binnen de wijk langs de Dokkershaven is er tevens een onderscheid te maken tussen de relatief sobere levenskwaliteit van de arbeiders en de meer luxueuze uitwasemingen van de gegoede klasse langs de Dokke. Het mag echter duidelijk zijn dat in die periode ook de minderbedeelden niet hoefden te overleven op haring en brood. Bovendien neemt vanaf deze periode ook het tabaksverbruik een hoge vlucht. Opnieuw blijkt dat de Vlissingse pijproker geen genoegen nam met het meest goedkope materiaal.

Op bouwhistorisch vlak kon de opgraving eveneens een aantal nieuwe inzichten verschaffen. Zo konden we in samenwerking met de Walcherse Archeologische Dienst een deel van de ‘Doksluis’ in kaart brengen. Deze sluis bediende de watermolen op de Steenen Beer door gebruik te maken van het getijdenverschil tussen de toen nog afgesloten Dokkershaven en de Marinehaven ten oosten daarvan. Nieuwe inzichten zijn ook verkregen in de opbouw en exacte locatie van de dwangburcht van Alva. Wellicht was deze citadel nog in volle aanbouw, toen in 1572 de macht werd overgenomen door de bevolking. Delen van het huidige stratenplan weerspiegelen nog de vorm van de toenmalige bastions en van de interne indeling van de citadel. Deelgebied A bevond zich grotendeels ter hoogte van de wal van het noordwestelijke bastion van de citadel; onmiddellijk ten noorden ervan bevond zich de omgrachting. Van de opgegraven percelen waren er opvallend veel structurele restanten bewaard in bepaalde zones. Op die manier beschikten we niet alleen over de afvalcontexten met vondstmateriaal, maar ook over delen van de bovengrondse structuren, waardoor er een inzicht kon worden verkregen in de interne indeling en zelfs decoratie van de woningen. De langwerpige percelen langs de noordzijde van de Wagenaarstraat hadden bijvoorbeeld een drieledige opbouw, met een gang langs de zuidwestelijke zijde, terwijl de woningen langs de Koudenhoek en langs de zuidoostzijde van de Dokke meer diversiteit in hun opbouw vertoonden. Aanvullend op de fysisch antropologische studie van het skeletmateriaal zal een DNA-onderzoek worden uitgevoerd.

Aan de hand van de minuutplannen uit de 19e eeuw konden de opgegraven sporen en vondstcomplexen gekoppeld worden aan specifieke percelen. Dankzij de nog bestaande Registers van Huiseigenaren was het vervolgens mogelijk om voor de periode 1610-1810 de opeenvolgende eigenaren van deze percelen te achterhalen. Op die manier konden de meeste vondstcontexten in verband worden gebracht met een specifieke naam of namen. In de meeste gevallen is verder onderzoek nodig om meer informatie te achterhalen over die personen en om na te gaan of het desbetreffende pand ook daadwerkelijk door hen werd bewoond. Maar bij een paar voorbeelden kon meer in detail worden ingegaan op de betreffende eigenaren van de panden.



Vier eeuwen leven en sterven aan de Dokkershaven

Een archeologische opgraving van een postmiddeleeuwse stadswijk op het Scheldekwartier in Vlissingen

foto1 foto2
foto3 foto4

Een project van ADC ArcheoProjecten

logo