EASY

DANS - Data Archiving and Networked Services

Search datasets

EASY offers sustainable archiving of research data and access to thousands of datasets.

Close Search help

Graven in de Grote- of Sint Jacobskerk

Cite as:

Veen, M.M.A. van; Vergouwen, H.H.C. (): Graven in de Grote- of Sint Jacobskerk. DANS. https://doi.org/10.17026/dans-2xc-wxv5

2009-07-01 Veen, M.M.A. van; Vergouwen, H.H.C. 10.17026/dans-2xc-wxv5

De archeologische begeleiding van restauratiewerkzaamheden in de Grote Kerk is tot nu toe zeer zinvol gebleken. Sporen in de vorm van funderingen en grafkelders blijken dicht onder de vloer aanwezig te zijn. Bij het onderzoek dat in 2007 is uitgevoerd stond een zo goed mogelijke bescherming van de graven voorop. Dat betekende dat de graven intact zijn gelaten en (recente) beschadigingen aan gewelven zijn hersteld. Het onderzoek naar de grafstructuren is dan ook beperkt gebleven tot het documenteren van de blootgelegde bovenzijde van de graven en het incidenteel aantonen van graven en andere structuren met behulp van grondradar.
Het onderzoek uit 2007 heeft aanvullende gegevens opgeleverd over de bouwgeschiedenis van de Grote Kerk. Een van die gegevens is de (her-)ontdekking van een grote grafkelder in de uiterste zuidwest hoek van het schip. Het betreft een kelder die in 1738 werd gebouwd als zogenaamde gemene of huurkelder. De kelder heeft twee toegangen gehad, die later zijn dichtgezet. De kelder is later gebruikt als knekelkelder en volgestort met menselijke skeletten, zand en bouwafval.
Het onderzoek in de kelder is beperkt gebleven tot een korte waarneming van de muurdelen die boven de skeletresten uitstaken, vanwege onaanvaardbare risico's voor de onderzoekers. De conclusies zijn dan ook voorlopig. De keldermuren zijn gebouwd op en tegen muurwerk dat is opgebouwd uit grote bakstenen (kloostermoppen) uit de eerste helft van de veertiende eeuw, vermoedelijk uit de periode 1320-1350. Bij funderingsonderzoek in de zuidbeuk van het schip in de vierde travee werd een funderingsmuur opgebouwd uit kloostermoppen met hetzelfde formaat (27/28/29 x 14 x 7 cm) gedocumenteerd.
Niet eerder werd er bij bouwhistorisch en archeologisch onderzoek in deze kerk muurwerk met stenen van een dergelijke ouderdom gevonden. Het oudste muurwerk dat eerder door Ter Kuile werd beschreven dateert uit het eind van de veertiende eeuw en bestaat uit stenen van kleiner formaat (22/23 x 11 x 5,5 cm). Stenen van dergelijk formaat en iets groter werden tijdens het onderzoek in 2007 aangetroffen in de muur en steunberen van het laat veertiendeeeuwse koor. De grote verschillen tussen baksteenformaten die eerder door Ter Kuile zijn gedocumenteerd en die van het recente onderzoek, zijn het gevolg van de verschillen in het soort onderzoek: het bouwhistorische onderzoek betreft het muurwerk bovengronds, het archeologisch onderzoek betreft vooral de ondergrondse sporen, namelijk de funderingsmuren en de kelder.
De combinatie van de resultaten van het recente onderzoek en oudere gegevens leidt tot de conclusie dat er aanwijzingen zijn voor hergebruik van vroeg veertiende-eeuwse bakstenen op funderingsniveau.
De beperkingen van het onderzoek maakten dat de interpretatie van de muren van kloostermoppen in de grote kelder achteraf aan de hand van vergrotingen van foto's is gemaakt.
De voorlopige conclusie is dat het muurwerk te relateren is aan de bouwfase van 1434. Het koor werd eind veertiende eeuw gebouwd met bakstenen van formaat 22/23 x 11 x 5,5 cm. Dit zijn nieuwe bakstenen geweest, de datering van de formaten komen namelijk overeen met de historische gegevens over de bouw van het koor. De ondergrondse muurdelen, met bakstenen van hetzelfde formaat, die tijdens het onderzoek werden blootgelegd zijn geen funderingen maar behoren tot oorspronkelijk bovengronds gelegen muurwerk. Dat kan worden afgeleid uit het schoon metselwerk.
Behalve aanvullende gegevens omtrent de bouwgeschiedenis van de kerk vanaf het eind van de veertiende eeuw, geeft dit onderzoek mogelijk ook een indirecte aanwijzing voor de datum van de verstening van de oorspronkelijk houten kerk. Als we aannemen dat er bij verbouwingen steeds gebruik is gemaakt van afbraakmateriaal van de kerk dan is het gebruik van kloostermoppen op verschillende plaatsen in de zuidbeuk van de kerk aanwijzing voor het tot stand komen van de eerste stenen kerk in de periode 1320-1350.
Bij het onderzoek naar de graven in het koor in 1987 en 2007 en 2008 zijn ruim 100 grafkelders en zandgraven blootgelegd aan de bovenzijde en aanvullend een aantal graven gelokaliseerd met behulp van een combinatie van grondradar en elektrische metingen. De graven liggen keurig in rijen met een overwegend west-oost oriëntatie. De lange zijden van de graven draaien mee met de vorm van de kerkmuur in de kooromgang. In het oosten, het zogenaamde oostpand, keren de graven en liggen ze haaks op de muur. Er is getracht de ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Zandgraven komen voor in hoekjes die te klein waren voor een volledige grafplaats naast funderingen en in de rondingen van de kooromgang. Uit het historisch onderzoek blijkt dat de overgebleven hoekjes naast steunberen, de zogenaamde onvolkomen graven, ook wel gebruikt werden als kindergraf. Aanvankelijk zijn er veel meer zandgraven geweest maar deze zijn omgezet in grafkelders. Uitzondering daarop is een groot zandgraf dat tussen twee steunberen ligt en groot genoeg is voor een enkel grafkelder en te klein voor twee grafplaatsen.
De meerderheid van de graven bestaat uit grafkelders. Het onderzoek heeft geleid tot inzicht in de diversiteit en overeenkomsten van de constructies van grafkelders. De meerderheid van de kelders kan worden ingedeeld in enkelvoudige grafkelders en grafkelders met een haaks gewelf (zowel van dubbele als van anderhalve breedte). Minder vaak voorkomende typen zijn: de meervoudige grafkelder met tongewelf, de grafkelder met een klein tongewelf en de meervoudige lange grafkelder. Een deel van de grafkelders heeft aanvankelijk een tijdelijke afsluiting aan de bovenzijde gehad en is in of na 1830 voorzien van een afdekking in de vorm van een troggewelf.
Andere grafkelders werden afgedekt met (hergebruikte) grafzerken. De grafkelders met een haaks gewelf zijn anderhalf of tweemaal breder dan een enkelvoudige grafkelder. De opgegraven meervoudige grafkelders met tongewelf hebben de breedte van twee of drie graven. Grafkelders met een klein tongewelf werden ook wel gecombineerd met een enkelvoudige grafkelder in het verlengde daarvan. Van het type meervoudige lange grafkelder is er één blootgelegd, deze was afgedekt met grafzerken. Verder zijn de archeologische sporen gecombineerd met vermeldingen in de grafboeken en is een poging gedaan om een gravenkaart voor het koor te maken. Het eigendom van alle graven berustte oorspronkelijk bij de kerk, maar werd door de kerk met inbegrip van een onderhoudsverplichting verkocht aan particulieren. Slechts de onbekwame graven en een klein deel van de grafkelders in de koorannexen zijn steeds in bezit van de kerk gebleven. De particuliere eigenaar moest zijn eigendom in de kerkelijke grafboeken laten registreren. Voor de overboeking moest aan de kerk een boekingsrecht worden betaald. Als de eigenaar van het graf niet aan zijn (onderhouds-)verplichtingen voldeed verviel het graf aan de kerk en werd het graf door de kerk weer aan een nieuwe eigenaar verkocht. Het historisch onderzoek geeft verder inzicht in ondermeer de prijsontwikkeling van graven, die eind achttiende eeuw sterk onder druk staat door het verbod op het begraven in kerken. In 1830 kwam er een definitief einde aan deze praktijk.
In het koor zijn vooral rijke en of prominente personen begraven. Op grond van de grafboeken, die voor sommige perioden zeer onvolledig zijn, en aanvullende historische bronnen is geprobeerd om de graven van de familie Huygens te lokaliseren. De verschillende locaties die de opeenvolgende grafboeken voor een graf van de familie Huygens noemen maken, zo lijkt het, aannemelijk dat de familie in het oostpand twee graven heeft bezeten: een graf bij de muur (in de tweede regel) en een bij de pilaren om het hoogkoor. Dat laatste zou dan het oorspronkelijke graf zijn waar Constantijn Huygens en zijn Christiaan zijn begraven. Als we daarvan uitgaan zou het een van de graven onder de zerk van Chovart kunnen zijn, zoals met tal van argumenten is uiteengezet. Volledige zekerheid is er echter niet. De onregelmatige plaatsing van de graven achter het koor en de verwarrende administratie maken een interpretatie niet eenvoudig. Dat wordt nog eens duidelijk uit recent onderzoek in tot op heden uit het zicht gebleven bronnen. Zo lijken er ook argumenten voor de gedachte dat de familie Huygens steeds niet meer dan één graf achter het koor heeft bezeten. In dat geval vragen de uiteenlopende aanduidingen in de grafadministratie wél om een verklaring. Hebben we te maken met een verplaatsing, en zo ja, wanneer heeft die dan plaatsgevonden? Of zouden we toch met een en hetzelfde graf te maken hebben? Verder onderzoek geeft mogelijk uitsluitsel.



Graven in de Grote- of Sint Jacobskerk

Archeologische begeleiding en opgraving bij de vloerrestauratie en historisch onderzoek

foto

Een project van de Afdeling Archeologie, Dienst Stadsbeheer, Gemeente Den Haag